Tijdens de jaren aan de kunstacademie (1995-2000) drijft een intense verhouding met visioenbeelden uit zijn onderbewuste de schilder tot het schilderen van notities hiervan. De voorstellingen tonen grotendeels figuratieve landschappen met film- of theater-achtige scenes en de typische ‘scherf’achtige verftoets heeft een bewuste betekenis; het mag van de schilder niet vloeien maar moet een opbouw hebben die verwijst naar de ‘pixel’ als bouwsteen. Het handschrift moet verwijzen naar pixeltechnieken bij inheemse volken (zandschilderen), mosaik in oude culturen, pointillisme in de tijd van het impressionisme en de 1e digitale fotografie richting het jaar 2000.